Rock & Roll verhaal: Tover

Het festivalgevoel van Down the Rabbit Hole dat we allemaal zo missen

 

Het is al bakkend warm. Als je een konijn uit een hoge hoed tovert, zijn het de oren die je als eerste ziet. Twee blote mannenbillen lopen voor ons uit, bijeengehouden door een touwtje. Hij heeft een soort broek aan. Een etalagebroek. Hij heeft banaankleurig kontvel en een mal, roze hoedje op. Weet niet welke zonnebank hij heeft bezocht, maar het is te hopen dat de èchte zon de komende drie dagen nog wat aan zijn huidskleur kan doen. Zijn bilspleet staart eenieder in zijn kielzog ongegeneerd aan. Een man die nu al verkoeling heeft gezocht in de schaduw van een vuilnisbak, kijkt net zo lang naar de billen totdat de spleet kleiner en kleiner wordt. Ik denk dat hij verkering met de billen wil. 

Nòg hebben mijn vrouw en ik puf. Nòg krijgen we geen zonnesteek. Alhoewel?! Ik druk een verkeerd knopje in. Alle kneten nu al down the hole! Mijn fout. Met een hoeveelheid consumptiemuntjes waarmee we een hele motorclub plat kunnen zuipen, lopen we verder het festivalterrein op. De sfeer is aaibaar gezellig, de muziek soms te hard. Vooral de trommelvliesfolter van 120 beats per minuut. Nick Cave, daar kijken we naar uit. ‘Dan ga ik vooraan staan hoor!’ zegt Manon zich nu al verkneukelend op haar foto’s van de zanger. Want vooraan gebeurt het, wel drie nummers lang. Fotografen met lenzen van hier tot aan de maan zetten het op een lopen om vooraan te gaan staan. Waarvoor hebben ze dan zulke grote lenzen nodig?! Ze swaffelen hun apparaat tegen het podium aan. Na drie nummers mag je weer gaan met je fototoestel. Als één levend wezen stroomt iedereen richting bühne. Voor mij is dat het signaal om op afstand te blijven. Niet zozeer omdat ik mijzelf de massa wil onthouden. Het is schrik voor al te veel publiek op een hoop. Hoe leuk de muziek ook is. Waarom ga je dan naar een festival, zul je zeggen?! Op tijd sluit ik even mijn ogen om in het gras te gaan liggen. In mijn roze ooglidfilm hoor ik stemmen zich tot een vrolijk feest vermenigvuldigen. Dan word ik weer rustig. Als ik mijn ogen open, zie ik iemand die “Spinazie” op zijn T-shirt heeft staan.

Manon hijst me omhoog en we lopen verder. Hier is iemand aan het werk die in zijn leven al heel wat spinazie heeft gegeten. Stevig rockend dreunt het gehamer van de langharige smidse. Zwetend is hij met ontbloot bovenlijf aan het werk temidden van de nodige andere attracties. Hij voert een eenmansact van heavy metal spierbundels op en slaat wat recht is krom en andersom. Bewonderend kijken omstanders naar de woest, maar trefzeker zwaaiende Kelt. Nieuwe vormen zijn ontstaan wanneer hij zijn smeedijzer terug in het vuur heeft gelegd. Vlak naast zijn werkterrein balanceert een evenwichtskunstenaar op indrukwekkende wijze over een, soms snorrend, elastieken koord. Een corpulente festivalganger kijkt bierdrinkend toe en ziet de geheimen van een andere wereld voor zich onthuld. Hij is niet alleen dik, maar ook gigantisch groot. Zijn ogen staan als twee knopen in een zwaar brilmontuur genaaid. Overal waar zijn huid is te zien, zijn ook tatoeages. De oorbellen van de vrouw naast hem hangen als trossen kersen langs haar hoofd. Als zij seks met die bebaarde woudloper wil hebben, zal zij een berg moeten beklimmen waarop met grote letters het woord “Supreme“ staat. 

Manon en ik lopen met vaste tred de Hendrick’s Gin Bar in. Om de bar licht zwalkend van de gin-tonic te verlaten, even later. We lopen op een, met behulp van prikkabels verlichte, buitenaardse planeet. Onder een arcade van ronddraaiende, blauwe radartjes door. Ze draaien maar rond en rond en rond. Het wordt alsmaar later en later, zeggen de radartjes. Als je jong bent, interesseert je dat geen reet, die tijd. Pas als je na je vijftigste The Dark Side hebt betreden, dan ga je goed tellen. Zo bestempelt een gitaarspelende vriend van mij onze leeftijdsconditie: The Dark Side. We tellen de vellen voor de spiegel, ‘s morgens en ‘s avonds, betekent dat. Maar het duurt nog wel even voordat het grote opruimen begint en het festivalterrein voor een laatste keer zal worden leeggeveegd. Daar is de uitgang, mijnheer. Luistert u nog maar een keer naar uw favoriete muziek en voel hoe melancholie eerst sentimenteel - en dan kleverig wordt van de tranen. Ik denk aan de woorden van een anonieme dichter, in “Het Gat”, een periodiek dat op dit festival rouleert. Bij die woorden hoorde ik meteen dat zieltogend mooie nummer “The Lights” van band The Kevin Costners. “Als ik drink, voel ik mijn lichaam, tenminste – kan ik lopen om het lopen, voel ik onder mijn voeten de stenen op het pad; ik voel de stenen, maar ze steken niet. Als ik drink zie ik de sterren tenminste, heb ik de rust om ze te tellen. Op mijn rug, op het pad – ik voel de stenen, maar ze steken niet, ik zie de sterren, maar ik tel ze niet.”

De Aap in de Asbak

Dit is een fragment van een van de twintig Rock & Roll verhalen uit het boek De Aap in de Asbak van Frank Antonie van Alphen. Het boek is te koop bij WaaghalsKroeseRob & Elly's Vinylarchief en natuurlijk bij schrijver Frank Antonie van Alphen zelf. Bekijk hier zijn website

Dit vind je misschien ook leuk