Canon van Nijmegen: Katholieke Universiteit, Nijmegen wordt studentenstad

Nijmegen bulkt van de historische verhalen. Over kopstukken en gewone lieden, wijken en politieke gebeurtenissen. In de Canon van Nijmegen zijn de belangrijkste verhalen over Nijmegen geselecteerd. Een van die verhalen gaat over de oprichting van de Katholieke Universiteit. Een felle strijd tussen katholieken en niet-katholieken beleefde op 7 februari 1923 een hoogtepunt in de Nijmeegse gemeenteraad. Tevoren, en zelfs daarna, speelde die strijd zich af op straat, in zaaltjes en in massale handtekeningenacties. Het draaide allemaal om de vraag of Nijmegen zich moest kandideren als vestigingsplaats voor een op te richten Katholieke Universiteit.

Uiteindelijk werd in de gemeenteraad slechts met één stem verschil tot vestiging besloten. Zestien katholieken stemden voor, vijftien nietkatholieken (een monsterverbond van sociaaldemocraten, liberalen, protestanten en een enkele communist) stemden tegen. Dat betekende een grootse overwinning voor de katholieke zaak, want de stichting van de Roomsch Katholieke Universiteit te Nijmegen (in 2004 omgedoopt in Radboud Universiteit) werd indertijd beschouwd als ‘de kroon op het werk van de katholieke emancipatie’.

1923: viering van de Katholieke Universiteit

De overwinning werd op 17 oktober 1923 bij de opening van de universiteit nog eens triomfantelijk gevierd in De Vereeniging en op het Keizer Karelplein, waar een massa volk zich voor het eerst vergaapte aan een lange stoet hoogleraren in toga en andere hoogwaardigheidsbekleders. Het genoegen smaakte Nijmegen dubbel. In de voorafgaande jaren had een stedenstrijd gewoed met Tilburg, Maastricht en Den Bosch over de vraag waar de Katholieke Universiteit moest komen. Die prestigestrijd was dus gewonnen door Nijmegen, dat minder geld bood dan zijn concurrenten, maar harder vocht, slimmer opereerde, uiterlijk aantrekkelijker was en – vooral – de gunstigste geografische ligging en bevolkingssamenstelling had: een zowel noordelijke als zuidelijke stad.

Aanvankelijk was de universiteit betrekkelijk klein, met drie ‘goedkope’ faculteiten: Godgeleerdheid, Letteren/Wijsbegeerte en Rechtsgeleerdheid. De faculteiten waren verspreid over diverse gebouwen in en rond het stadscentrum, met het hoofdgebouw aan het Keizer Karelplein. Tot de Tweede Wereldoorlog telde de universiteit gemiddeld ruim vijfhonderd studenten, vrijwel allen afkomstig uit de maatschappelijke bovenlaag. Zij gaven de stad wel kleur, maar domineerden niet. Vanaf de jaren vijftig werd de universiteit uitgebreid met de faculteiten Geneeskunde (1951), Wis- en Natuurkunde (1957) en Sociale Wetenschappen (1963). Deze uitbreiding, in combinatie met de bevolkingsgroei en de sterk toenemende toegankelijkheid van het academisch onderwijs, zorgde voor een explosie van het aantal studenten in de jaren zestig. In 1945 telde de universiteit nog 650 studenten, in 1955 waren dat er 1900 en in 1970 werd de grens van 10.000 gepasseerd. Nijmegen was een echte studentenstad geworden.

De nieuwe faculteiten uit de jaren vijftig werden, evenals het in 1956 geopende academisch ziekenhuis St. Radboud, gevestigd op het ten zuiden van de stad gelegen voormalige landgoed Heyendaal. Later verhuisden ook de andere faculteiten hier naartoe, zodat een echte campus ontstond. De universiteit en het ziekenhuis, met inmiddels 12.000 medewerkers en ruim 17.000 studenten, zijn van onschatbare waarde voor het economisch, sociaal en cultureel leven van Nijmegen.

Fotografie: Radboud Universiteit/Dick van Aalst

Dit vind je misschien ook leuk