Rock & Roll verhaal: Drie Wijzen uit het Oosten

En toen stond Frank Boeijen voor de deur

 

Hij heette Frank, net als mijn vader, net als ik. Het was een trieste middag en het zal een rare avond worden. Frank ligt nu begraven. Een shock voor mijn moeder en vader, vooral. Ik kende hem wat minder goed. De begrafenisplechtigheid was vol muziek, Deep Purple en andere hardrock. Zo heette dat toen nog: hardrock. De stilte in de  pauzes tussen de nummers was suizend. Er waren toespraken, mensen huilden.

Frank was zowel een vriend van mijn vader als van mijn vijf jaar jongere broer. Ik vond dat altijd een beetje raar. Maar hij kwam graag bij ons thuis langs. Zoals bijna al onze vrienden dat leuk vonden. ‘Nee, we komen helemaal niet voor Martin of Frank, maar voor jullie’, zeiden ze dan blij tegen mijn ouders. Iedereen was welkom bij pa en ma. Iedereen kon blijven eten en blijven slapen. ‘Hij had een gaatje in zijn hart’, zei ma na afloop van de begrafenis. Daar moest ik even over nadenken. Een zwak hart, daar was Frank aan overleden. Ik kan mij niet herinneren dat hij iets anders droeg dan zwart. Alsof hij zijn eigen begrafenis al lang had aangekondigd, maar niemand wilde het zien. Daarom droeg hij die donkere kleren elke dag.

Na de begrafenis ging ik terug naar Nijmegen. Met het verdriet, dat ditmaal niet echt het mijne was, kwam ik thuis. Maar toch. Daar sta ik nu dan. Voor de spiegel. Ik loop verloren door het huis en ga af en toe voor die spiegel staan. Dat heb ik mijn leven lang al gedaan, voor de spiegel staan, als ik mij niet goed voelde. Maar beter werd het nooit. Ik kijk naar mezelf en denk aan mijn broertje die de laatste tijd toch wel verdomd hard op zijn kloten heeft gekregen. Net een geliefde te veel achter elkaar overleden. Al zou mijn broer het woord “geliefde” nooit en te nimmer in zijn mond nemen. De bel gaat.

Ik loop naar beneden, de trap af, om open te doen. ‘Ja?’ suf ik. In een waas zie ik een gestalte in mijn deuropening staan. Het is donker en ik heb mijn contactlenzen uitgedaan. ‘Ik dacht... voordat je mij ziet morgen, moet je eerst wel even weten waar je het over hebt’, zegt de gestalte. ‘Wat?!’ suf ik nog een keer. ‘Nou, morgen moet je mij interviewen en ik dacht dat het wel handig voor jou zou zijn om te weten waarover je mij gaat interviewen. Dus breng ik je dit even langs.’ De gestalte steekt een hand uit. Net voordat ik de hand een hand wil geven, zie ik dat de hand een cd vasthoudt. En besef ik dat dit toch wel een heel bekende stem is, die gesproken heeft. Dat accent. Dat is niet wit, niet zwart-wit, maar in de kleur van je haar! Hoe kan ik toch zo stom zijn?! En ik woon nog wel naast zijn grote hit, “Kronenburg Park”. Morgen moet ik hem interviewen op de Wolfsberg. Nu staat hij hier, voor mijn deur. Maar zonder lenzen zag ik geen Frank Boeijen staan. ‘Wil je misschien even binnenkomen?!’ roep ik overdreven hard. Op een volume dat je waarschijnlijk alleen maar bij een bekend of beroemd iemand zal aanslaan. Waarschijnlijk heb ik hem afgeschrikt met mijn geblaf, want hij zegt: ‘Nee, dankje, ik heb afgesproken met mijn toetsenman. Ik moet weer verder.’ Ik bedank hem voor de cd, sla de deur te hard dicht, loop de trap op, meteen naar mijn cd-speler. Ben benieuwd. “Schaduw van de Liefde” heet zijn nieuwste. Ik zet de cd op om eens een flink potje te janken. Als een bekende, een beroemdheid of een dierbare is begraven, betekent dat een aankondiging van je eigen dood. Een ophanden zijnde afkondiging van je bestaan. Je bedenkt wat je nou eigenlijk van je eigen leven hebt gemaakt. Het voordeel van beroemd zijn is dat je eigenlijk nooit dood gaat. Je bent wel vertrokken, maar toch ben je er nog, want je kunt niet eens vertrekken omdat je in muziek doorleeft of in een boek aanwezig blijft. Geesten bestaan. Geliefden blijven rondspoken.

Tegen middernacht loop ik - ik ben die “Schaduw van de Liefde” nu wel weer zat - naar de rivier. Heb de cd alweer te vaak achter elkaar gedraaid. Vooral de eerste drie nummers. Iemand heeft mij ooit nog Frank Brulboeijen genoemd. Toen ik bij JuJu Eyeballs zong. Ik moet even met de rivier gaan praten en naar de nachtdiesels luisteren. Aan de Waal gekomen, ga ik op mijn stressbankje zitten, mijn somberbankje. Om te proosten op de Drie Franken. Hoog boven fonkelt een opvallend grote ster. Ik wist dat het goed was. Want het ergste kwam nog. De Drie Franken waren mijn Wijzen uit het Oosten. Al zou het nooit meer helemaal goed komen: ik wist dat het goed was.

 

De Aap in de Asbak

Dit is een van de twintig Rock & Roll verhalen uit het boek De Aap in de Asbak van Frank Antonie van Alphen. Het boek is te koop bij Waaghals, KroeseRob & Elly's Vinylarchief en natuurlijk bij schrijver Frank Antonie van Alphen zelf. Bekijk hier zijn website

Fotografie: Peter Wiegerinck

Dit vind je misschien ook leuk