Een gat in het fabrikaat van de Nijmeegse geschiedenis

Het was onnoemelijk zwaar werk. Vijftig tot tachtig kilo sleepten ze uit de ruimen van binnenvaartschepen. Hun eigen lichaamsgewicht. Het was dan ook niet zo gek dat de Koperen Bout, de Nijmeegse politie, bang voor ze was. De geschiedschrijvers van de stad waren dat blijkbaar ook – bang - want weinig tot niets lag over het sjouwend leven in de stadsarchieven opgetekend. Kaaisjouwers heetten ze voluit.

Slechts een paar blaadjes info waren in het Regionaal Archief Nijmegen over hun bestaan te vinden. Waarvan de inhoud dermate kurkdroog op schrift was gesteld, dat je na het lezen ervan het stof uit je kleren kon kloppen. Nu is er gelukkig meer aandacht. Zo bestaat er een plan om een Kaaisjouwerstekstplaquette in de Benedenstad, oftewel de Onderstad, te realiseren. Ook verrijst straks, hopelijk, ter nagedachtenis aan de sterke mannen, een standbeeld op de Waalkade. En wordt er gewerkt aan een kortfilm over de (ook Europese) Kaaisjouwers. Maar het is nog een lange weg om dat alles voor elkaar te krijgen. Want je moet dat in de knip hebben wat de sjouwers ook nooit hadden, en dat is geld.

Sjouwers van de welvaart

Maar Nimma mag gematigd positief denken over al deze plannen. Want schout en schepenen zijn er zich inmiddels van bewust wat deze Kaaisjouwers voor de Waalstad hebben betekend. Die brachten namelijk op hun letterlijke rug de welvaart vanaf de Waalkade naar het stadscentrum van Nijmegen. Lang vóór de hulp uit Albany. Lang vóór de Marshallhulp van de Amerikanen. Die Nederland tot de 51e staat van the US of A maakte. Maar dat is weer een ander verhaal.

De Kaaisjouwers woonden in de Onderstad van Nijmegen en waren straatarm. Zo arm dat ze zelfs niet aan een vakantie of ook maar een reis door Nederland dachten. Ze kwamen de stad niet uit. Net als schilder Jheronimus Bosch nooit zijn Den Bosch uit is geweest. De sjouwers behoorden tot een ander soort mensen. Dat ooit in Nijmegen een grote verbondenheid voelde met de Waal. De rivier die hun werk verschafte. Ze waren dagloners op wie de Bovenstad neerkeek. Zoals de rest van Nijmegen op de gehele Onderstad neerkeek. Want daar beneden woonde het schorriemorrie, rifraf en janhagel. Tussen het hoger gelegen en het lager gelegen gedeelte van Nijmegen stond een onzichtbare muur. De Onderstad was een getto. Al is het officieel natuurlijk nooit zo genoemd. Noch door het protestantse stadsbestuur. Noch door de rooms-katholieken.

Overleven en doorzetten

Aan de erbarmelijke situatie van de bewoners aan het water veranderde echter niets. Ze moesten het zelf maar zien te rooien. Maar ze weigerden te zwichten voor hun elend. Het was een soort van overlevers, doorzetters. Niet zulke mauwerds als wij nu zijn. Mensen die hun doorzettingsvermogen van een schrijnende armoede leerden. De onderstadters gebruikten het verstand van hun handen waarmee ze elkaar moedig overeind hielden.

Laten we aan de andere kant niet te romantisch doen over hun leefsituatie, daar op die andere planeet die Oude Onderstad heet. Er zijn in het interbellum luchtopnamen gemaakt waarop de Onderstad, als een landkaart liggend op een lessenaar, is te zien. Het stadsdeel oogt alsof er een vuilnisbelt op is omgekeerd. Als je in armoede leeft, maak je je niet zoveel zorgen om een weggegooid propje papier. Maar die Kaaisjouwers en hun lotgenoten zijn wel Nijmeegse burgers die hun plek in de Nijmeegse geschiedenis verdienen. Tussen die van Karel de Grote, de Gebroeders van Lymborch, de Merovingers, de Bataven, Marieken. En ook tussen die eeuwige Romeinen die nu toch wel al heel lang dood zijn.

 

Bijschrift headerfoto: Turfschipper en Kaaisjouwer: de heer Pijman. Hij woonde in een oude boerderij tussen Valkhof en Waal (omslag boek “De Kaaisjouwers, een hard leven aan de Waal”).