Kinderschoenen in de Keizerstad: Renée Fokker kwam overal, behalve op de gebaande paden
In Kinderschoenen in de Keizerstad interviewen we bekende Nederlanders met een rijk verleden in Nijmegen. Niet over hun alledaagse bezigheden, maar juist over hun binding met de stad, en hoe die doorwerkt in hun oeuvre en wereldbeeld. In een café aan de Maasstraat in Amsterdam-Zuid sprak IntoNijmegen met Renée Fokker, de bekende actrice die 30 jaar geleden een Gouden Kalf in ontvangst mocht nemen voor haar rol in Blind Date en veel recentelijker vriend en vijand wist te verbazen als Mol in Wie Is De Mol?
Toch was Fokker als kind allesbehalve de uitgesproken gangmaker die je voor je ziet bij iemand met een dergelijke carrière. De rebelse, doch verlegen actrice trok zich weinig aan van de gebaande paden en koos al vroeg haar eigen route. Vanuit een groot, creatief gezin in Brakkenstein raakte ze op jonge leeftijd in de ban van podiumkunsten, die uiteindelijk de voedingsbodem zouden vormen van haar rijke loopbaan.
Entree op de fiets
Haar entree op de fiets, open uitstraling en nuchtere, sympathieke houding geven me niet direct het idee dat ik de hand schud van een winnares van een Gouden Kalf. De gemiddelde voorbijganger straalt meer kapsones uit. Bij een actrice met zo’n palmares zou je haast vermoeden dat ze op bijzonder geloofwaardige wijze de rol van doorsnee-burger aan het vertolken is. Een beeld dat versterkt wordt als we een jonge vrouw passeren die ze uiterst enthousiast teruggroet, om me vervolgens te melden dat ze geen idee heeft wie dat is.
Die openheid en spontaniteit waren vroeger lang niet zo vanzelfsprekend. ‘’Als klein meisje was ik heel verlegen. Ik kon niet logeren, had altijd heimwee. Ik verstopte me vaak achter de rok van mijn moeder en wilde altijd op haar schoot zitten, maar daar was zelden tijd voor.’’ Fokker groeide namelijk op in een gezin met acht kinderen, maar trof desondanks geen leeftijdsgenoten aan de eettafel. Haar broers en zussen waren minimaal vijf jaar ouder en met haar jongere zusje scheelde ze zeven jaar. Als dochter van een architect verhuisde ze op driejarige leeftijd van de Berg en Dalseweg naar de Burggraafstraat in Brakkenstein. Het huis dat haar vader zelf had ontworpen, vormde de broedplaats van haar eerste creatieve uitingen.
Beatkelder in de Burggraafstraat
De creativiteit zat Fokker in de genen. ‘’Mijn moeder maakte wandkleden en daar deed ze regelmatig tentoonstellingen mee. Zij kwam uit een gezin van acht broers en die zijn ook allemaal kunstenaars geworden. Mijn peetoom (René Smeets) was directeur van de eerste academie voor industriële vormgeving in Eindhoven (tegenwoordig de Design Academy, red.).’’
Er was altijd wat te beleven in het huis aan de Burggraafstraat. ‘’We hadden een kleurendoka, huiskamerconcerten met de vleugel en een beatkelder die helemaal volgeplakt was met posters uit Muziekkrant OOR of de Hitweek van de sterren uit die tijd. We gaven daar veel feestjes, met mijn broer die zich profileerde als DJ Heinrich von Pumpernickel. Mijn vader filmde veel, en op die filmpjes zie je mijn zussen ook dansen in coltruien die in de jaren ‘70 zo hip waren en daar fladderde ik dan als klein meisje tussendoor.’’
Omgekeerde plankenkoorts
Van de verlegenheid die ze als kind had, was niets te merken als ze op het podium stond. ‘’Ik was daar zo vrij. Je kan normaliter heel verlegen zijn, maar op het podium kan je je veel meer permitteren dan in het echte leven. Op het podium kan je alles zijn.’’ Haar motivatie teert meer op liefde voor theater dan de behoefte om in de schijnwerpers te staan. ‘’Ik kon me beter uiten op het podium. Het was niet dat ik beroemd wilde worden of zo, dat kende ik niet. Ik had ook nooit gedacht dat ik in films zou spelen. Toen ik op de toneelschool door Hans Kemna gevraagd werd om auditie te doen voor een film, wees ik dat in eerste instantie af.’’
Fokker had heel andere dromen dan flaneren over de rode loper. ‘’Vroeger had je Festival Fools bij (het oude) Doornroosje, dat was meer een soort clownerie. Er kwamen speelse acts van over de hele wereld. Ik kwam daar in het begin van mijn middelbare schooltijd vaak kijken en dat wilde ik later ook.’’ Haar oorspronkelijke plan was dan ook om naar de clownschool in Zürich te gaan, maar uiteindelijk werd het de theaterschool in Amsterdam. ‘’Toen werd ik overgehaald om toch de filmauditie te doen en werd ik het ook nog eens. Vanaf dat moment ging het allemaal ineens heel hard.’’
Het oude Doornroosje ©Tycho van Dijk
Van Klassewerk tot clownscollectief
Haar eerste tv-optreden liet niet lang op zich wachten. ‘’In de zesde klas (nu groep 8) waren wij uitgekozen om deel te nemen aan het programma Klassewerk, waar schoolklassen het tegen elkaar opnamen in verschillende onderdelen. Ik nam het toneelwerk op me en speelde heel vrij en frivool een stuk met een goocheldoos als ’Komische Goochelaar Michaëla'. Die naam verwees naar haar school. Fokker genoot het basisschoolonderwijs immers aan de St. Michaëlschool in Brakkenstein, waar ze les kreeg van paters en broeders. ‘’Ze hadden allemaal een grijs pak aan en zaten de hele dag dikke sigaren te roken, dat zou nu helemaal niet meer kunnen joh.’’ Ook de rest van de wijk waarin ze opgroeide is in de loop der jaren enorm veranderd. ‘’Je had al wel de sportvelden, maar verder was het nog niet zo volgebouwd. Op de plek waar nu een bejaardentehuis staat, was toen een heel groot veld. We gingen ook vaak naar de speeltuin (Brakkefort, red.). Mijn ouders waren slechthorend, dus we gingen nooit naar het theater en andere uitstapjes die ouders dezer dagen met hun kinderen kunnen doen, waren er toen nog niet.’’
De creativiteit kreeg ze dus van huis mee, maar haar fascinatie voor theater ontstond buiten de deur. ‘’Ik zat ook op Balletschool Elly Charlotte van Dijk aan de Sint Annastraat, deed aan jazzballet bij de Lindenberg en zat in een koor in de Maria Geboortekerk. Ik heb zelfs ijshockey gespeeld bij Kunstijsbaan Heyendaal (tegenwoordig staat daar ROC-gebouw Technovium, red.), maar het ontstond vooral bij Doornroosje. Je had daar alles: zeefdrukken, theater, artiesten… daar is het vuurtje écht aangewakkerd.’’
![]()
Als tiener struinde ze al diverse podia af en sloot ze zich zelfs aan bij een clownscollectief. ‘’We hadden zelf een clubje opgericht bij Doornroosje waarmee we onder meer deelnamen aan Festival Fools: Circus Riboet. Ik was, zoals wel vaker, veruit de jongste.’’ Doornroosje, dat halverwege de route van haar middelbare school naar huis was gestationeerd, ontpopte zich toentertijd tot haar tweede thuis. Vanuit school bracht ze vaak een bezoek aan het etablissement, al sloeg ze die eerste stap ook geregeld over. ‘’In die tijd werd je aanwezigheid helemaal niet gecontroleerd.’’
Fokker bracht haar middelbare schooltijd door aan de Bijleveldsingel, waar destijds een havoschool gevestigd zat. ‘’Wij zaten gewoon te kaarten in de klas. Als een leraar iets probeerde uit te leggen, reageerden we met: ‘’wacht even, eerst even dit potje afmaken." Alle docenten hadden toen lang haar, lange baarden en totaal geen gezag. Er werd flink geblowd, en we hadden onze eigen methodes ontwikkeld om goede cijfers te halen. Destijds had je stencilmachines die de proefwerken afdrukten. De week voor de proefwerkweek ging ik na school met twee jongens de vuilniszakken jatten die we vervolgens leegden op de Wedren. Zo kwamen we aan de antwoorden.’’
Kont tegen de krib
Hoewel ze menig les oversloeg, ging ze ieder jaar over, maar nota bene in haar examenjaar besloot ze te stoppen met school. ‘’Mijn ouders waren op familiebezoek in Mexico toen ik ze opbelde om te vertellen dat ik zou stoppen en met vrienden in een busje naar Marokko zou vertrekken. We zijn uiteindelijk gestrand in Zuid-Spanje, maar dat tevergeefs. Mijn oudere broers en zussen moesten in de tussentijd op mij passen, maar die waren zelf veel te druk met feesten. Toen mijn ouders terugkwamen moest ik van hen naar de avondschool, maar daar ben ik niet meer dan twee keer geweest.’’
Met terugwerkende kracht kan ze haar keuzes van destijds beter verklaren: ‘’Achteraf gezien was het ook een beetje een actie tegen mijn ouders, denk ik. Jullie gaan op vakantie als ik examens moet doen? Dacht het niet!’’ Een concreet plan voor haar toekomst had ze toen immers niet. ‘’Ik was vrij ondeugend en meer bezig met me losmaken van alles dan gericht aan mijn toekomst te werken.’’
Dat ietwat tegendraadse karakter heeft ze nooit verloren. Sterker nog, het vormde misschien wel de basis van haar carrière. ‘’Op de theateropleiding was het ook echt een zooitje. Ik kwam vaak te laat, leerde vaak niet en deed ook niet mee met mijn afstudeerproject omdat ik al wat rollen had, maar op een of andere manier werd ik toch altijd uitgekozen. Ze zochten toch een bepaalde autonomie. Ook toen ging het dus nog altijd anders dan bij anderen. Ik geloof dat ik daar een soort abonnement op heb.’’
Het hippiebolwerk
Met haar oudere broers als mentoren was Fokker overal vroeg bij. Zo was ze ook pas zestien jaar oud toen ze haar ouderlijk huis verliet. ‘’Veel van mijn broers woonden toen ze eind 20 waren wel nog thuis, maar ik was niet te houden. Ik had met een aantal vrienden een hoekhuis gekraakt op de Bachstraat. We hebben nog een graantje mee kunnen pikken van het post-hippietijdperk.’’
Ze bracht ook veel tijd door in gekraakte panden als de oude Dobbelmanfabriek en Villa Waalheuvel in Ubbergen, maar was het vaakst te vinden in de St. Jacobslaan, waar tegenwoordig de Albert Heijn XL staat. ‘’Daar stonden twee grote gekraakte klassieke boerderijen met rieten daken. Doodzonde dat die later zijn afgebroken. Het was een fantastische tijd. Er woonden allemaal hippies, waaronder mijn broer. Er waren ook schuurtjes die zijn omgebouwd tot huizen, pipowagens, ezels, kippen… het was echt een soort hippiebolwerk.’’
Die cultuur leefde destijds ook in de omgeving. ‘’In het noorden van Limburg en Noord-Brabant had je allemaal hippie-boerderijen met kleine feesten. Daar gingen we dan heen in witte pakken met bakfietsen en tenten. Dat waren eigenlijk de voorlopers van de festivals zoals we die vandaag de dag kennen.’’
Van hier tot Tokio
Op haar zeventiende kreeg ze een zeer onverwacht aanbod dat ze desondanks niet kon weigeren. ‘’Ik werd opgemerkt bij een tentoonstelling, in een tijd dat het net gebruikelijk werd om jonge meisjes in de groei in te zetten als model. Ik was vrij lang en een dunne spriet, precies het profiel dat ze zochten, blijkbaar. Niet veel later stond er een grote auto voor de deur. Of ik ervoor openstond om aan de slag te gaan als model in Japan", een land dat toen nog zelden bezocht werd door westerlingen. ‘’In het jaar dat ik in Tokio heb gewoond, keken mensen me aan alsof ik een lopend wonder was.’’
Toch hoefde ze niet lang na te denken of ze de geboden kans zou grijpen. ‘’De enige voorwaarde die ik had gesteld, was dat het netjes moest blijven. Bloot zou ik niet doen. Omdat ik toen nog minderjarig was, moesten mijn ouders ook tekenen. Dat deden ze maar, want ‘met Reneetje is toch geen land te bezeilen’, dachten ze toen.’’ De gebaande paden vermijden was voor haar inmiddels uitgegroeid tot een vertrouwde route.
Kerstavond 1978
Slechts drie dagen na haar terugkeer uit Oost-Azië kwam ze terecht in een tragisch verkeersongeval. Op de kruising van de Weg door Jonkerbos en de Hatertseweg botste ze met twee mannen die waren ontsnapt uit de Pompekliniek (TBS-kliniek). De mannen waren dronken en reden met een gestolen auto tegen het verkeer in. ‘’Ik ben er gelukkig nog steeds, maar ik heb wel heel lang op het randje gelegen in het Radboud Ziekenhuis.’’
Leuke spiekerbox
Hoewel ze Nijmegen al op jonge leeftijd inruilde voor de hoofdstad, voelt ze zich nog altijd extra verbonden met mensen uit haar geboortestad. ‘’Als ik een Nijmegenaar tegenkom, ga ik meteen Nijmeegs praten. Ik herken het direct aan de tongval.’’ Vanaf dat moment werd ons gesprek onvermijdelijk ook even verder gevoerd in het lokale dialect. ‘’Het verbaast me altijd weer hoeveel mensen er uit Nijmegen komen. Ik kon het altijd heel goed vinden met Kitty Courbois, die speelde vaak mijn moeder. In de serie De Zomer van ‘45 bijvoorbeeld. Op de set zaten we de hele dag in het Nijmeegs te keuvelen. Opmerkingen als ‘’Hey schele badmuts, we motten draaien!’’ of ‘’Leuke spiekerbox’’ passeerden regelmatig de revue, en niemand die ons verder begreep.’’
Het Nijmeegs dialect speelt voor de actrice niet alleen achter de coulissen een rol, maar krijgt ook een plek op het podium zelf. ‘’Ik speel deze zomer een voorstelling op De Parade getiteld Wim en Jet willen naar bed, waarin mijn personage Nijmeegs spreekt. Ik vind dat heerlijk om te doen. Als kind was het niet onze standaardtaal hoor, ik had hooguit een beetje een zachte G. Maar wat ik zo leuk vind aan het accent is dat iedereen die in Nijmegen geboren is het kan, maar niemand van buitenaf het echt onder de knie krijgt omdat het zo’n vreemde tongval heeft.’’
![]()
Thuiskomen
De locaties waar ze in haar tienerjaren veel kwam, roepen nog altijd de nodige nostalgie bij haar op. Niet alleen de kraakpanden, maar ook natuurgebieden als Heumensoord of de evenementenlocatie Roomsch Leven in Brakkenstein. ‘’Ik kom ook nog heel vaak in Nijmegen, vooral voor familie, uitgaan doe ik er niet echt meer. Vijf van mijn zeven broers en zussen wonen er nog. Ik loop graag door de Hezelstraat en vind het prettig om te wandelen in de nabije omgeving. De natuur rondom Nijmegen is zó prachtig. Het heeft alles, Berg en Dal en Beek, de Ooij, Brabant en Limburg, aan alle kanten is het mooi.’’
De ligging is dan ook een van de dingen die de stad haars inziens zo uniek maakt. ‘’Zeker… en het was ook altijd al wel een linkse stad, een stad waar veel gebeurde en alles kon. Je geboorteplaats maakt toch altijd een bijzonder sentiment bij je los. Als ik die kant op ga, kom ik toch weer een beetje thuis.’
Als ik zo langzamerhand alle info heb vergaard die ik uit dit gesprek hoopte te halen, wordt de indruk die ik bij de eerste handdruk kreeg definitief bevestigd. Mijn poging om haar drankjes voor mijn rekening te nemen valt op niets uit. Voor die tijd zou ze me nog overvallen met vragen, carrièretips en het welgemeende advies om gebruik te maken van de korting op het Dal Vrij-abonnement die de NS deze zomer aanbiedt. Dat typeert haar wellicht meer dan een prijzenkast vol onderscheidingen.
Fotografie: Anna Sokolowska, Tycho van Dijk, Edwin Smits, Radboudumc