Mensen met uilenoren leren (een beetje) beter richtinghoren
⌂ » Werk & ondernemen » Nijmegen innoveert
Mensen zijn heel goed in horen waar een geluid vandaan komt, maar niet zo goed als kerkuilen. Als mensen kerkuilenoren aangemeten krijgen, leren ze na verloop van tijd een beetje te horen als kerkuilen. Dat blijkt uit onderzoek van Marc van Wanrooij van het Donders Instituut aan de Radboud Universiteit.
Met hun oren kunnen kerkuilen uitzonderlijk nauwkeurig horen waar een geluid vandaan komt, wat van pas komt als ze ’s nachts prooien willen vangen. Hun speciale asymmetrische oren zijn een unieke specialisatie in het dierenrijk. Van Wanrooij: ‘Mensen kunnen heel goed bepalen waar een geluid op horizontaal vlak vandaan komt, door het minieme tijds- en luidheidsverschil waarmee een geluid het ene en het andere oor bereikt: komt een geluid iets eerder of luider je linkeroor binnen, dan is de locatie van dat geluid links. Maar we kunnen ook goed op verticaal vlak geluid lokaliseren. Dat heeft te maken met de vorm van ons oor. Van boven klinkt geluid daardoor anders dan van beneden. Ons brein is daar op aangepast.’ Bij uilen werkt dat anders. Het ene oor staat meer naar boven gericht, het andere naar beneden, waardoor luidheidsverschillen juist in verticale richting variëren.
Kerkuilenorenmallen
Van Wanrooij en collega’s vroegen zich af wat er zou gebeuren als je mensen kerkuiloren aan zou meten. ‘Daarmee verstoor je dus de vorm van het menselijk oor, waardoor verticaal horen onmogelijk wordt. We waren benieuwd of mensen na verloop van tijd dat verticale horen weer zouden kunnen leren, met een brein dat daar in principe niet op is ingericht.’
Daarvoor kregen elf mensen uilenoren aangemeten: rubberen oorstukjes die de vorm van de oren veranderden. Dat droegen ze de hele dag, ergens tussen de 3 en 58 dagen lang. ‘Dat was niet per se prettig voor die mensen. Niet alleen is het niet fijn om de hele tijd iets in je oor te hebben, maar ze kregen bijvoorbeeld ook vragen in de rij voor de Albert Heijn.’

Donkere, stille ruimte
Met de deelnemers nam Van Wanrooij elke dag een test af. Hoe goed was hun horizontale en verticale gehoor nu? De uilenoordragers moesten in een donkere, stille ruimte gaan zitten waar overal speakers stonden. Af en toe kwam uit een van de speakers een geluid en de deelnemers moesten dan kijken waar het geluid vandaan kwam. ‘Dat is heel natuurlijk, als je in een donkere ruimte zit, kijk je automatisch naar de plek waar je iets hoort.’
De onderzoekers zagen dat de deelnemers na verloop van tijd weer opnieuw verticaal horen konden leren. ‘Het werd nooit zo goed als zonder die mallen, maar mensen worden er wel ietsje beter in. Dat is echt bijzonder: we kunnen dit dus leren, terwijl ons brein daar niet op gemaakt is. In het mensenbrein wordt audio allemaal apart verwerkt: in het ene gebiedje worden bijvoorbeeld tijdsverschillen verwerkt, in het andere luidheidsverschillen. Maar ons brein zit dus niet vast aan die aparte kenmerken; we zijn flexibeler dan werd gedacht. Het is heel moeilijk om te leren, maar het kan wel.’
Gehoorproblemen
Van Wanrooij hoopt apparaten te ontwikkelen die geluidskenmerken doorgeven zoals dat bij kerkuilen gebeurt. Dat zou mettertijd ook relevant kunnen zijn voor onderzoek naar gehoorproblemen. ‘Veel gehoorapparaten geven nu wel geluiden op horizontaal vlak door, maar niet op verticaal. Wellicht dat we dit hiermee in de toekomst kunnen verbeteren.’